Home Profeten Het verhaal van de profeet Ibrahim die Allah zeer na staat

Het verhaal van de profeet Ibrahim die Allah zeer na staat

Het verhaal van de profeet Ibrahim die Allah zeer na staat

 Zijn uitnodiging

Volgens de verslagen van het volk van het Boek, was zijn naam Ibrahim, zoon van Tarikh. Hij was geboren net als zijn twee broers Nahur en Haran, in het land van Kaldanian, hetgeen Babyion was en de buurlanden ervan (in een stad die gelegen was tussen de Tigris en de Eufraat). Haran was de vader van de profeet Loeth.

Ibn Kathir gaf als commentaar, dat dit het beroemdste verslag van de biografieschrijvers en de geschiedkundigen is.

Volgens de verslagen van het volk van het Boek, trouwde Ibrahim met Sarah, die onvruchtbaar was. Vervolgens trok hij met haar, zijn vader Tarikh en zijn neef Loeth naar het land van de Kan'aniten, d.w.z. Jeruzalem. Toen zij Harran in Irak bereikten, stierf Tarikh, 250 jaar oud. Ibrahim vestigde zich vervolgens daar met zijn vrouw en zijn neef Loeth. Harran was destijds het land van de Kashdaniten, zowel als het land van Djazirah en Syrië.

Ibn Kathr zei, dat het volk van Harran sterren en afgoden aanbad. Alle bewoners van de aarde waren destijds ongelovigen behalve Ibrahim, Sarah en Loeth (a.s)

Zijn uitnodiging aan zijn vader

Ibn Kathir zei: "Allah had Ibrahim eerst Zijn rechtgeleidheid ge­geven. Daarna zond Allah hem als een profeet en koos hem uit als Zijn boezemvriend toen hij oud werd. Hierover zei Allah:

"En voorwaar, Wij hebben hiervoor Ibrahim begiftigd met recht­geleidheid en Wij waren Goedbekend met hem." (QsAlAnbiya 21:51)

De eerste die hij uitnodigde was zijn vader die afgoden aanbad. De Qoer'aan vertelt ons dit als volgt

Ibrahim zei tot zijn vader Azar: "Neemt u afgoden als goden?" (Qs Al Anbiya 21:52) en "Want ik zie dat u en uw volk een duidelijke fout maken." (Qs Al Anbiya 21:54)

Dit geeft aan dat de naam van zijn vader Azar was. Het merendeel van de geleerden die afstamming bestuderen, zoals Ibn 'Abbas, zijn van mening dat zijn vaders naam Tarih is. De mensen van het Boek spreken het uit als Tarikh.

Ibn Jarir zei: "Misschien had hij twee namen of een naam en een bijnaam." Allah weet het beter.

Allah zei betreffende de uitnodiging van Ibrahim tot zijn vader:

"En noem in het Boek Ibrahim. Hij was een man van de waarheid, een profeet. Waarlijk! Hij zei tegen zijn vader: 'O mijn vader! Waarom aanbid jij datgene wat niet hoort of ziet, noch waar jij iets van krijgt? O mijn vader! Waarlijk! Er is tot mij kennis geko--men die niet tot jou is gekomen. Volg mij dus. Ik zal je op het Rechte Pad leiden. O mijn vader! Aanbid sheitan niet. Waarlijk! Sheitan is een opstandige tegen de Weldadigste. O mijn vader! Ik vrees dat een bestraffing van de Vrijgevigste jou zou treffen, zodat jij een metgezel van Sheitan wordt.' Hij zei: '"Verwerp jij mijn goden, O Ibrahim? Als jij hier niet mee ophoudt, zal ik je zeker stenigen. Ga dus weg van mij voor een heel lange tijd voordat ik je straf.' Ibrahim zei: "Vrede zij met jou! Ik zal voor vergiffenis van mijn Heer voor jou vragen. Waarlijk! Hij 'is voor mij altijd de Vrijgevigste. En ik zal mij van jou afkeren en van diegenen die jij naast Allah aanroept. En ik zal mijn Heer roepen; en ik hoop dat ik niet in mijn aanroepingen tot mijn Heer ongezegend moge zijn.'" (Qs Maryam 19:41-48)

 Hier vermeldt Allah de ruzie tussen Ibrahim en zijn vader en hoe hij hem uitnodigde tot de waarheid met vriendelijke woorden, terwijl hij hem de onwaarachtigheid uitlegde van de aanbidding van afgo­den, die de smeekbedes van hun aanbidders niet kunnen horen en ook niet kunnen zien waar ze zich bevinden. Hoe konden dergelijke afgoden dan baten in ondersteuning of onderhoud? Hij vertelde zijn vader dat Allah hem heilzame kennis en leiding had gegeven, hoewel hij nog zo jong was: "O mijn vader! Er is tot mij kennis gekomen die niet tot jou is gekomen. Volg mij dus. Ik zal je op het Rechte Pad leiden," hetgeen betekent de rechte, gemakkelijke en duidelijke weg die je naar alle goeds toeleidt in deze wereld en in het hiernamaals.

Zijn vader gaf geen gehoor aan zijn advies en dreigde hem zelfs door te zeggen: "Verwerp jij mijn goden O Ibrahim? Als jij hier niet mee ophoudt, zal ik je zeker stenigen. Ga dus weg van mij voor een heel lange tijd, voordat ik je straf " Ibrahim gaf hem antwoord door te zeggen: "Vrede zij met je" Hetgeen betekent, datje geen schade zult ondervinden door middel van mij. Hij verzekerde hem zelfs: "Ik zal voor vergiffenis van mijn Heer voor jou vragen. Waarlijk! Hij is voor mij altijd de Vrijgevigste " daar Hij mij geleid heeft om Hem te aanbidden. Daarom zei Ibrahim: "En ik zal mij van jou afkeren en van diegenen die jij naast Allah aanroept. En ik zal mijn Heer roe­pen; en ik hoop dat ik niet in mijn aanroepingen tot mijn Heer onge­zegend moge zijn. Ibrahim vroeg vergiffenis aan Allah voor zijn va­der, zoals hij hem beloofd had, maar toen het duidelijk werd, dat hij een vijand van Allah was, maakte hij zich los van hem. Dit zegt de Qoer'aan in het volgende vers:

En de aanroeping van Ibrahim voor de vergiffenis voor zijn vader was slechts vanwege een belofte die hij hem had gegeven. Maar toen het hem duidelijk werd dat hij een vijand van Allah was, ver­wijderde hij zichzelf van hem. Want Ibrahim was zachtmoedig en verdraagzaam.  (QsAt-Tauba9:114)

Al-Boechari heeft op gezag van Aboe Hoerairah overgeleverd dat de Profeet (a.s) zei: "Ibrahim zal zijn vader Azar ontmoeten op de Dag der Opstanding, terwijl het gezicht van de laatste bedekt zal zijn met stof en zwart vuil. Ibrahim zal tegen hem zeggen: 'Was je niet onge­hoorzaam aan mij?' Zijn vader zal antwoorden: 'Vandaag zal ik niet ongehoorzaam aan je zijn.' Ibrahim zal met zijn Heer onderhandelen en zeggen: 'O Heer! U heeft me beloofd dat U me niet zult vernede­ren op de dag dat alle mensen verrijzen. Welke vernedering kan gro­ter zijn dan het vertrek van mijn vader?' Allah zal zeggen: 'De heb het paradijs verboden aan de ongelovigen.' Dan zal er tegen Ibrahim gezegd worden: 'O Ibrahim! Kijk eens wat er onder je voeten is!' Hij zal een geslacht dier zien dat met bloed besmeurd is en dat bij han­den en voeten gepakt wordt en in het hellevuur gegooid wordt."

De woordenwisseling van Ibrahim met het volk van Harran

Allah zei: "Dus hebben Wij Ibrahim het koninkrijk der hemelen en van de aarde laten zien, zodat hij één van degenen is die zekerheid heb­ben. Toen de nacht hem met duisternis bedekte, zag hij een ster. Hij zei: 'Dit is mijn Heer.' Maar toen die onderging, zei hij: 'Ik houd niet van wat ondergaat.' Toen hij de maan op zag komen, zei hij: 'Dit is mijn Heer.' Maar toen hij onderging zei hij: 'Tenzij mijn Heer mij leidt, zal ik zeker onder het dwalende volk verke­ren. ' Toen hij de zon op zag komen, zei hij: 'Dit is mijn Heer. Dit is de grootste.' Maar toen die onderging, zei hij: 'O, mijn mensen! Ik ben waarlijk vrij van alles wat jullie als deelgenoten aan Allah toevoegen. Waarlijk, ik heb mijn gezicht tot Hem Die de hemelen en de aarde heeft geschapen, toegekeerd 'hanifan' en ik behoor niet tot degenen die anderen naast Allah aanbidden.' Zijn mensen redetwisten met hem. Hij zei: 'Redetwisten jullie met mij over Al­lah, terwijl Hij mij heeft geleid, en ik vrees degenen die jullie aan Allah toekennen in aanbidding niet (niets kan mij gebeuren), be­halve wanneer mijn Heer (Allah) iets wil. Mijn Heer omvat in Zijn kennis alle dingen. Zullen jullie je niet laten vermanen? En hoe moet ik degenen die jullie aan Allah in aanbidding toekennen, vre­zen, terwijl jullie niet vrezen, terwijl jullie in aanbidding tot Allah zaken hebt toegekend die Hij niet naar beneden heeft gestuurd en waar jullie geen zeggenschap over hebben. (Dus) wie van de twee partijen heeft meer recht op zekerheid, als jullie maar wisten.' Het zijn degenen die geloven en hun geloof niet met het verkeerde verwarren, voor hen (alleen) is er veiligheid en zij zijn de gelei­den. En dat was Ons bewijs dat Wij Ibrahim tegen zijn mensen ga­ven. Wij verheffen die Wij willen in graden. Zeker jullie Heer is Alwijs, Alwetend." (QsAlAn'am 6:75-83)

Ibn Kathir zei, dit is de argumentatie van Ibrahim met zijn volk. Hij liet hen zien, dat de hemellichamen die zij aanbaden, niet als goden beschouwd konden worden, omdat ze louter geschapen waren in overgave aan de wil van Allah. Zij kwamen een bepaalde tijd op en een andere tijd gingen ze onder, en waren dan in deze wereld niet te zien. Maar Allah heeft geen tekort aan kennis en niets is er verbor­gen voor Hem. Hij is de Eeuwig Levende en er is geen god behalve Hem.

Allah zei: "Toen de nacht hem met duisternis bedekte, zag hij een ster" waarvan gezegd wordt dat het de planeet Venus was. Ibrahim bewees het volk van Harran, dat de ster niet geschikt was om een god te zijn. Vervolgens sprak hij over de maan die nog meer licht geeft, en over de zon die nog helderder en groter in pracht is. Daarna legde hij aan hen uit, dat dergelijke hemellichamen aan de wil van Allah onderworpen waren. Dit is in overeenstemming met de uitspraak van Allah:

"En van Zijn tekenen zijn de nacht en de dag, en de zon en de maan. Kniel niet voor de zon of de maan, maar kniel voor Allah Die hen geschapen heeft, als jullie Hem (echt) willen dienen." (Qs Foesshilaat 41:37)

Toen Ibrahim de zon in grote pracht zag opkomen zei hij daarom: "Dit is mijn Heer. Deze is de grootste." Maar toen hij onderging, zei hij: "O, mijn mensen! Ik ben waarlijk vrij van alles wat jullie als deelgenoten aan Allah toevoegen. Waarlijk, ik heb mijn gezicht tot Hem Die de hemelen en de aarde heeft geschapen, toegekeerd 'hanifan' en ik behoor niet tot degenen die anderen naast Allah aanbidden." Zijn mensen redetwistten met hem. Hij zei: "Rede­twisten jullie met mij over Allah, terwijl Hij mij heeft geleid, en ik vrees degenen die jullie aan Allah toekennen in aanbidding niet (niets kan mij gebeuren), behalve wanneer mijn Heer (Allah) iets wil." (QsAlAn'am 6:80)

Hetgeen betekent: "De goden die jullie anders dan Allah aanbid­den, kunnen mij niets schelen omdat zij niets baten en niet in staat zijn te horen of te begrijpen.

Het schijnt, dat de bovengenoemde preek gericht was aan het volk van Harran, want zij aanbaden de sterren. Het volk van Babyion bestond uit afgodenaanbidders. Hij argumenteerde met hen en brak hun afgoden, bespotte hen en toonde hen hun onechtheid.

De woordenwisseling van Ibrahim met het volk van Babyion

Allah zegt in de Soerah AI-Anbia':

"En voorwaar Wij hebben hiervoor reeds Ibrahim begiftigd met rechtgeleidheid en Wij waren Goedbekend met hem. Toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: 'Wat zijn dit voor beelden waar jullie zo toegewijd aan zijn?' Zeiden zij: 'Wij merkten, dat onze vaderen hen aanbaden.' Hij zei: 'Voorwaar jullie en jullie vaderen maken een duidelijke fout.' Zij zeiden: 'Heb jij ons de waarheid gebracht, of behoor je tot diegenen die maar een beetje schertsen?' Hij zei: 'Nee, jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, Die hen geschapen heeft en waarvan ik één van de getuigen ben. En bij Al­lah, ik zal een plan maken om jullie beelden, nadat jullie weg zijn gegaan en jullie ruggen toegekeerd hebben (te vernietigen).' Dus brak hij hen in stukken, behalve de grootste van hen, zodat ze zich daartoe moge keren. Zij zeiden: 'Wie heeft dit onze goden aange­daan? Hij moet beslist één van de zondaren zijn.' Zij zeiden: 'Wij hoorden een jonge man, die Ibrahim wordt genoemd, over hen praten.' Zij zeiden: 'Breng hem dan voor de ogen van de mensen, zodat zij mogen getuigen.' Zij zeiden: 'Ben jij degene die dit onze goden heeft aangedaan, O Ibrahim?' (Ibrahim) zei: 'Nee, deze, de grootste van hen heeft het gedaan. Vraag het hen als zij kunnen spreken!' Dus kwamen zij tot zichzelf en zeiden: 'Waarlijk, jij bent de onrechtvaardige.' En dan kwamen zij tot inkeer en spraken: 'Voorwaar, jij weet goed dat deze (beelden) niet spreken!' (Ibra­him) zei: 'Aanbidden jullie dan naast Allah zaken waar jullie geen baat bij hebben en die jullie niet kunnen schaden? Vervloekt zijn jullie en dat wat jullie naast Allah aanbidden! Hebben jullie dan geen verstand?' Zij zeiden: 'Verbrand hem en help jullie goden, als jullie iets doen.' Wij zeiden: 'O vuur! Wees koel en veilig voor Ibrahim!' En zij wilden hem kwetsen, maar Wij maakten hen tot de ergste verliezers." (Qs Al Anbiya 21:51-70)

De Qoer'aan vertelde het verhaal van Ibrahim ook in Soerah Al-Shoe'ara:

En reciteer voor hen het verhaal van Ibrahim. Toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: "Wie aanbidden jullie?" Zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden en aan hen zijn wij altijd toegewijd. " Hij zei: "Horen zij jullie als jullie (hen) roepen? Of hebben jullie er baat bij of schaden zij (jullie)?" Zij zeiden: "Nee, maar onze vaders deden het ook." Hij zei: "Hebben jullie datgene wat jullie aanbid­den goed bekeken, jullie en jullie voorvaders? Waarlijk! Zij zijn mijn vijanden, behalve de Heer van de wereldbewoners; Die mij geschapen heeft en Hij is het Die mij leidt; Hij is het Die mij voedt en mij te drinken geeft. En als ik ziek ben, is Hij het Die mij ge­neest; en Die mij laat sterven en mij dan (weer) tot leven brengt; en Die, hoop ik, mij mijn fouten op de Dag des Oordeels vergeeft. Mijn Heer! Geef mij wijsheid en voeg mij bij de rechtvaardigen " (Qs As Sjoe'ara 28:69-83)

Ergens anders in Soerah Al-'Ankaboet zei Allah:

"En (gedenk) Ibrahim toen hij tegen zijn volk zei: 'Aanbid (al­leen) Allah en vrees Hem, dat is beter voor jullie, als jullie dat maar weten. Jullie aanbidden naast Allah alleen maar afgoden en jullie verzinnen alleen maar leugens. Waarlijk degenen die jullie naast Allah aanbidden, hebben geen macht en geven jullie geen levensonderhoud, zoek dus jullie levensonderhoud (alleen) bij Al­lah, en aanbid Hem (alleen) en wees Hem dankbaar. Tot Hem (al­leen) zullen jullie teruggebracht worden.' En als jullie ontkennen, volkeren vóór jullie hebben ontkend. En de taak van de bood­schappers is slechts het duidelijk verkondigen. En zien zij dan niet hoe Allah de schepping laat ontstaan en het dan herhaalt. Waar­lijk dat is gemakkelijk voor Allah. Zeg: 'Reis over het land en over zee en zie hoe (Allah) de schepping liet ontstaan en dan zal Allah een latere schepping voortbrengen. Waarlijk, Allah is tot alle za­ken in staat." Hij straft wie Hij wil en Hij toont genade aan wie Hij wil en tot Hem zullen jullie terugkeren. En jullie kunnen op aarde of in de hemel niet ontsnappen. En naast Allah hebben jullie in het hiernamaals noch een beschermheer noch enige helper. En degenen die niet in de tekenen van Allah geloven en de ontmoeting met Hem, zijn het die geen hoop op Mijn genade hebben en zijn het die een pijnlijke bestraffing zullen ondergaan. Niets was dus het antwoord van het volk, behalve dat zij zeiden: 'Dood hem of verbrand hem.' Toen redde Allah hem van het vuur. Waarlijk hier­in zijn zeker tekenen voor een volk dat gelooft!. En hij zei: 'Jullie hebben afgoden in plaats van Allah genomen en de liefde tussen jullie is slechts in het leven van deze wereld, maar op de Dag der Opstanding zullen jullie elkaar verwerpen en elkaar vervloeken en jullie verblijfplaats zal in het vuur zijn en jullie zullen geen helper hebben.' Dus geloofde Loeth in hem. Hij (Ibrahim) zei: 'Ik zal voor mijn Heer wegtrekken. Waarlijk, Hij is Almachtig, Alwijs.' En Wij gaven Ibrahim, Isaac en Yacoeb en bevalen voor zijn na­geslacht het profeetschap en het Boek, en Wij gaven hem zijn be­loning in deze wereld en waarlijk, in het hiernamaals is hij onder de rechtvaardigen." (Qs Al Ankaboet 29:16-27)

Allah zei verder in Soerah As-Saffat:

"En waarlijk, onder degenen die Zijn weg volgden, was Ibrahim. Toen hij met een zuiver hart tot zijn Heer kwam. Toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: 'Wat is dat wat jullie aanbidden? Is het een leugen - andere goden dan Allah - die jullie zoeken? Wat denken jullie dan over de Heer van de wereldbewoners?' Toen ving hij de glans van de sterren op. En hij zei: 'Waarlijk, ik ben ziek.' Dus keerden zij zich van hem af, en verlieten (hem). Toen wendde hij zich tot hun goden en zei: 'Eten jullie niet? Wat scheelt jullie, dat jullie niet spreken?' Toen keerde hij zich tot hen en sloeg (hen) met (zijn) rechterhand. Toen kwamen zij zich naar hem toe haasten. Hij zei: 'Aanbidden jullie dat wat jullie (zelf) hebben uitgesneden? Terwijl Allah jullie en wat jullie gemaakt hebben, heeft geschapen!' Zij zeiden: 'Maak een gebouw voor hen en gooi hem in het laaiende vuur!' Zo smeedden zij een plan tegen hem, maar Wij maakten hen tot de laagste." (Qs As Shaffat 37:83-98)

Ibn Kathir zei, dat Ibrahim afgodenaanbidding verwierp en het verachtte. Hij zei tegen zijn volk: ... "Wat zijn dit voor beelden waar jullie zo toegewijd aan zijn? En je wil aan onderwerpt?" Zij zeiden: "Wij vonden dat onze vaderen hen aanbaden." (Qs Al Anbiya 21:52-53)

Ergens anders redetwistte Ibrahim met zijn volk over de afgoden: Hij zei: "Horen zij jullie als jullie (hen) roepen? Of hebben jullie er baat bij of schaden zij (jullie)?" Zij zeiden: "Nee, maar onze vaders deden het ook." (Qs As Sjoe'ara 28:72-74)

Zij gaven toe dat hun afgoden niet in staat waren degene die hen aanriep te horen, en dat ze geen voordeel of schade teweeg konden brengen. Zij aanbaden hen louter en alleen omdat hun voorvaderen het gedaan hadden. Daarom zei Ibrahim tegen hen: "Voorwaar jullie en jullie vaderen maken een duidelijke fout." (Qs Al Anbiya 21:54) Ergens anders zei hij tegen hen:

"Hebben jullie datgene wat jullie aanbidden goed bekeken, jullie en jullie voorvaders? Waarlijk! Zij zijn mijn vijanden, behalve de Heer van de wereldbewoners." (Qs As Sjoe 'ara 28:75-77)

Dit was een sterk bewijs van de valsheid van hun goden, want Ibrahim ontkende hen en verachtte hen. Als zij in staat waren ge­weest hem schade te berokkenen dan hadden ze dat zeker gedaan. Het volk van Ibrahim antwoordde:

"Heb jij ons de waarheid gebracht, of behoor je tot diegenen die maar een beetje schertsen?" (Qs Al Anbiya 21:55)

Meen je het wat je over onze afgoden zegt, of maak je maar een grap?

Hij zei: "Nee, jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, Die hen geschapen heeft en waarvan ik één van de getuigen ben." (Qs Al Anbiya 21:56)

Ik ben serieus over hetgeen ik jullie verteld heb. Jullie God is Al­lah, er is geen God behalve Hem. Hij is jullie Heer en de Heer van alles, de Schepper van hemelen en aarde, de Enige die aanbidding waard is, er is geen partner naast Hem en ik leg daarvan getuigenis af.

En bij Allah, ik zal een plan maken om jullie beelden, nadat jullie weg zijn gegaan en jullie ruggen toegekeerd hebben (te vernieti­gen). " (Qs Al Anbiya 21:57)

Er wordt gezegd, dat R>rahim de laatste zin in zichzelf zei. Maar Pon Mas'oed zei, dat de zin hoorbaar was en enkele van zijn mensen hem hoorden.

Zijn volk hield een jaarlijks feest. Zij verzamelden zich in het centrum van de stad en vierden het aldaar. Toen zijn vader hem uit­nodigde hen te begeleiden, verontschuldigde hij zich en zei dat hij ziek was:

Toen ving hij de glans van de sterren op. En hij zei: "Waarlijk, ik ben ziek." Dus keerden zij-zich van hem af, en verlieten (hem). (Qs As Shaffat 37:88-90)

Zij gingen naar het feest en lieten hem alleen achter in hun stad. Toen wendde hij zich tot hun goden. (Qs As Shaffat 37:91)

Hij ging heimelijk naar hun afgoden en vond hen in een gebouw met pilaren, waar verschillende soorten levensmiddelen bij wijze van offer voor hen lagen. Toen zei hij spottend tegen hen:

"...Eten jullie niet? Wat scheelt jullie, dat jullie niet spreken?"

Toen keerde hij zich tot hen en sloeg (hen) met (zijn) rechterhand. (Qs As Shaffat 37:91-93)

De rechterhand is sterker en vlugger. En zo sloeg hij ze met een bijl in stukken. Allah zei:

"Dus brak hij hen in stukken, behalve de grootste van hen, zodat ze zich daartoe mogen keren." (Qs Al Anbiya 21:58)

Hij plaatste de bijl in de hand van de grootste afgod, zodat zijn volk zou denken, dat deze afgod jaloers was en alleen aanbeden wenste te worden zonder de andere afgoden. Toen ze terugkeerden, ontdekten ze wat er met hun goden gebeurd was. Zij zeiden:

"Wie heeft dit onze goden aangedaan? Hij moet beslist één van de zondaren zijn." (Qs Al Anbiya 21:59)

Dit geeft duidelijk hun krankzinnigheid en onwetendheid aan, want wat er met hun afgoden gebeurd was, was een duidelijk bewijs dat zij geen echte goden waren. Zouden ze werkelijk goden geweest zijn, dan hadden ze de schade kunnen afwenden. Te midden van deze chaos zeiden ze:

"Wij hoorden een jonge man, die Ibrahim wordt genoemd, over hen praten." (Qs Al Anbiya 21:60)

We hebben een jongeling slecht horen spreken over onze goden. Volgens Ibn Mas'oed hoorden sommige van hen hem zeggen:

"En bij Allah, ik zal een plan maken om jullie beelden nadat jullie weg zijn gegaan en jullie ruggen toegekeerd hebben (te vernieti­gen). " (Qs Al Anbiya 21:57)

Daarop reageerden ze meteen en zeiden: "Breng hem dan voor de ogen van de mensen, zodat zij mogen ge­tuigen. " (Qs Al Anbiya 21:61)

Zodat ze kunnen horen wat hij te zeggen heeft als verdediging van hemzelf en zij getuige kunnen zijn van de straf die uitgevoerd zal worden. Dit was nu precies wat Ibrahim graag wilde. Zijn doel was een grote menigte te verzamelen en dan de argumenten betreffende afgoderij te weerleggen, -net zoals de profeet Moesa tegen de Farao zei:

"De aangewezen ontmoeting is de Feestdag en laat de mensen zich verzamelen als de zon opkomt." (Qs Tha ha 20:59)

Toen ze hem naar voren brachten, vroegen ze aan hem:

"Ben jij degene die dit onze goden heeft aangedaan, o Ibrahim?" (Ibrahim) zei: "Nee, deze, de grootste van hen heeft het gedaan. (Of hij heeft me aangespoord dat te doen). Vraag het hen als zij kunnen spreken! " (Qs Al Anbiya 21:62-63)

Hij was van plan hen te bewijzen dat hun god niet spreken kon en dat ze zich bewust zouden worden dat deze afgoden alleen maar be­wegingloze beelden waren.

Dus kwamen zij tot zichzelf en zeiden: "Waarlijk, jij bent de on­rechtvaardige. " (Qs Al Anbiya 21:64)

Zij gaven zichzelf de schuld omdat ze hun goden zonder een wachter achter hadden gelaten. (En dan kwamen zij tot inkeer...(Qs Al Anbiya 21:65) Qatadah zei: "De mensen waren helemaal in de war en zij zwegen een korte tijd en zeiden toen: ..."Voorwaar, jij weet goed, dat deze (beelden) niet spreken!" (Qs Al Anbiya 21:65) Jij, Ibrahim, weet best, dat deze afgoden niet kunnen spreken, hoe kun je dan van ons verlangen hen iets te vragen? Ibrahim zei toen tegen hen:

"Aanbidden jullie dan naast Allah zaken waar jullie geen baat bij hebben en die jullie niet kunnen schaden ? Vervloekt zijn jullie en dat wat jullie naast Allah aanbidden! Hebben jullie dan geen ver­stand?" (Qs Al Anbiya 21:66-67)

In een andere gebeurtenis in de heilige Qoer'aan zei Allah:

"Toen kwamen zij zich naar hem toe haasten. Hij zei: 'Aanbidden jullie dat wat jullie (zelf) hebben uitgesneden?'' (Qs As Shaffat 37:94-95)

Hoe kunnen jullie afgoden aanbidden die jullie zelf uit hout en steen uitgehouwen hebben en aan wie jullie een vorm naar eigen keuze gegeven hebben?

Terwijl Allah jullie en wat jullie gemaakt hebben, heeft gescha­pen!" (Qs As Shaffat 37:96)

Jullie en jullie beelden zijn beide geschapen. Hoe is het mogelijk dat een geschapen wezen een ander geschapen wezen aanbidt?

De verlossing van Ibrahim van het vuur

Ibn Kathir zei, dat, toen het volk van Ibrahim geen argumenten meer had, zij hun toevlucht namen tot het gebruik van macht en auto­riteit om hun afgedwaalde ideologieën te ondersteunen. Allah zei hierover:

"Zij zeiden: 'Maak een gebouw voor hem en gooi hem in het laai­ende vuur!' Zo smeedden zij een plan tegen hem, maar Wij maak­ten hen tot de laagste." (Qs As Shaffat 37:97-98)

In de Soerah Al-Anbia' zei Allah betreffende hetzelfde voorval:

"Zij zeiden: 'Verbrand hem en help jullie goden als jullie iets doen.' (Qs Al Anbiya 21:68)

Maar Allah voerde Zijn wil uit en toonde de oppermacht van Zijn woord en religie:

"Wij zeiden: 'O vuur! Wees koel en veilig voor Ibrahim!' En zij wilden hem kwetsen, maar Wij maakten hen tot de ergste verlie­zers. " (Qs Al Anbiya 21:69-70)

Het volk van Ibrahim besteedde veel tijd aan het verzamelen van sprokkelhout. Toen een vrouw van zijn volk ziek werd, zwoer ze, dat, als ze beter zou worden ze deel zou nemen in het verzamelen van sprokkelhout om Ibrahim te verbranden. Vervolgens gooiden ze het sprokkelhout in een reusachtig groot gat en staken het aan. Het vuur ontbrandde met vonken die nog nooit eerder gezien waren. Vervolgens plaatsten ze Ibrahim in een katapult en bonden hem er­aan vast. Ondertussen bleef Ibrahim: la ilaha illa anta subhanak, laka al-hamd wa laka al-mulk, la sharika lak zeggen (er is geen god be­halve U, aan U alle lof en heerschappij, er is geen partner naast U). Toen ze hem in het vuur gooiden, zei hij: "Hasbuna Allah wa ni'mal-wakil (Allah is genoeg voor mij en Hij rekent met alle zaken het beste af)."

Al-Boechari heeft op gezag van Ibn 'Abbas overgeleverd dat hij zei: "De uitdrukking 'Hasbuna Allah wa ni'mal-wakil' werd door Ibrahim geproduceerd, de Boezemvriend, toen hij in het vuur ge­gooid werd, en door de profeet Mohammed (vzmh) toen tegen hem gezegd werd:

"Waarlijk, de mensen hebben zich tegen jullie verzameld, vrees hen daarom." Maar het deed hen (slechts) vermeerderen in het geloof en zij zeiden: "Allah (alleen) is voor ons voldoende en Hij is de beste afliandelaar van zaken (voor ons). Dus kwamen ze met genade en overvloed van Allah terug. Geen kwaad was hen ge­daan. (QsAlilmraan 3:173-174)

Sommige van de rechtschapen voorvaderen vermeldden dat Ji-briel aan Ibrahim verscheen tussen de hemel en de aarde en tegen hem zei: "Ibrahim! Heb je iets nodig?" Hij antwoordde: "Van jou heb ik niets nodig." Ibn 'Abbas heeft overgeleverd dat de engel van de regen voort ging en zei: "Wanneer zal het bevel komen dat ik het moet laten regenen!" Maar het bevel van Allah was vlugger dan dat. Allah zei:

"Wij zeiden: 'O vuur! Wees koel en veilig voor Ibrahim!'" (Qs Al Anbiya 21:69)

'Ali bin Ali Talib zei: "Dit betekent dat het vuur hem geen kwaad zal doen."

Ibn 'Abbas zei: "Had Allah niet, "en veilig" gezegd dan had het vuur hem schade kunnen berokkenen."

Al-Soeddi zei: "Ibrahim werd vergezeld door de engel van de schaduw."

Ibn Kathir zei, dat Ibrahim in een groene tuin verbleef die door vuur omringd was, terwijl mensen naar hem keken. Zij konden hem niet bereiken, noch kon hij de tuin verlaten. Aboe Hoerairah zei: "Het beste woord van zijn vader werd geuit, toen hij zijn zoon in die situatie zag. Hij zei: 'Wat is jouw Heer goed! Ibrahim.'" Allah zei:

"En zij wilden hem kwetsen, maar Wij maakten hen tot de ergste verliezers." (Qs Al Anbiya 21:70)

In een ander vers wordt gezegd ...maar Wij maakten hen tot de laagste. (Qs As Shaffat 37:98) Hoewel ze uit waren op overwinning, werden ze verslagen en terwijl ze de oppermacht nastreefden, werden ze vernederd.

Al-Boechari heeft op gezag van Oemm Sharik overgeleverd dat de Profeet (a.s) beval, dat de gekko gedood zou worden en zei: "De gekko blies het vuur naar Ibrahim toe." Imam Ahmad verhaalde op gezag van Nafi', die zei dat Soemamah, de vrijgelaten vrouwelijke slaaf van Ibn Al-Mughirah, zei: "De kwam binnen bij 'Aishah en vond een speer in haar huis. Ik vroeg: "Waar gebruik je die speer voor, Moeder van de gelovigen?" Zij zei: "Om gekko's te doden, zoals de Profeet (a.s) tegen ons gezegd heeft. Toen Ibrahim in het vuur gegooid werd, probeerden alle schepselen van de aarde het vuur te doven, behalve de gekko, die het naar hem toe blies." Dus beval de Profeet van Allah dat we hem moeten doden."

De woordenwisseling van Ibrahim met Namrud

Allah zei:

"Hebt u niet gekeken naar degene die met Ibrahim redetwistte over zijn Heer, omdat Allah hem het koninkrijk gegeven had? Ibrahim zei: 'Mijn Heer is Degene Die het leven geeft en de dood veroorzaakt.' Hij zei: 'Ik geef het leven en veroorzaak de dood.' Ibrahim zei: 'Waarlijk! Allah laat de zon in het oosten opkomen, laat u hem dan van het westen opkomen.' De ongelovige werd zo dus verpletterend verslagen. En Allah leidt niet de mensen die onrechtvaardig zijn." (Qs Al Baqarah 2:258)

De geleerden van de genealogie beweerden in hun verslagen, dat de betreffende man de koning van Babyion was, die Namrud heette. Hij regeerde over een periode van 400 jaren. Hij was een onrecht­vaardig heerser, die de perken te buiten ging. Hij was één van de vier koningen die de wereld overheersten. Twee van deze koningen wa­ren gelovigen, zoals Soeleiman en Dhul-Qarnain, en twee waren ongelovigen, zoals Bukhtunassar en Namrud.

Toen Ibrahim Namrud uitnodigde om alleen Allah te aanbidden, zetten zijn arrogantie, onwetendheid, misleiding en de verwachting van een lang leven hem ertoe aan Zijn Schepper te verloochenen. Daarentegen verklaarde hij, dat hij een god was. Ibrahim zei: "Mijn Heer is Degene Die het leven geeft en de dood veroorzaakt." Hij zei: "Ik geef het leven en veroorzaak de dood."

Qatadah zei, dat dit betekent, dat als twee gevangenen tot de dood veroordeeld waren, hij één van hen vrij liet en de ander veroordeelde. Zo beweerde hij, dat hij de één zijn leven schonk en aan het leven van de ander een einde maakte!

Ibn Kathir zei, dat dit niet van toepassing was op het onderwerp van de woordenwisseling. Het ontkent niet wat Ibrahim vertelde over de macht van zijn Heer en is er ook niet in strijd mee. Ibrahim haalde de parabel van het scheppen van levende wezens aan en het beëindi­gen van hun leven als een bewijs van het bestaan van iemand die dit teweegbrengt, omdat het onmogelijk is, dat dit toevallig gebeurt. Toen dit punt niet duidelijk genoeg was voor enkele van de toehoor­ders, kwam hij met een ander bewijs van het bestaan van de Schep­per. Hierover zei Allah: "Waarlijk! Allah laat de zon in het oosten opkomen, laat u hem dan van het westen opkomen." (Qs Al Baqarah 2:258) Allah, de enige God en Schepper, beval de zon iedere dag op te komen in het oosten. Als je een god bent, zoals je beweert, dan kun je hem bevelen om in het westen op te komen. Degene die over leven en dood heerst, kan doen wat hij maar wil en alles aan zijn wil onderwerpen. Als je niet in staat bent dat te doen, dan ben je niet degene die je beweert te zijn. Integendeel, dan ben je heel zwak en minderwaardig, omdat je nog niet eens een mug kunt scheppen. Al­lah zei:

"De ongelovige werd zo dus verpletterend verslagen. En Allah leidt niet de mensen die onrechtvaardig zijn. " (Qs Al Baqarah 2:258)

Al-Soeddi vertelde, dat een dergelijke woordenwisseling plaats­vond, nadat Ibrahim uit het vuur gered was.

Zaid bin Aslam zei: "Het volk was gewend naar Namrud te gaan in een afvaardiging om provisie te halen. Op een keer ging Ibrahim met de afgevaardigden mee. Hij was nog nooit eerder naar Namrud geweest. Toen ontstond die woordenwisseling tussen hen. Daarna zond Allah een engel naar Namrud, die hem uitnodigde in Allah te geloven, maar hij weigerde. De engel nodigde hem nog een keer uit, maar hij weigerde weer. Ook een derde keer weigerde hij en zei: "Mobiliseer je leger maar en ik zal mijn leger mobiliseren." Vervol­gens liet Namrud zijn leger marcheren, maar Allah zond een zwerm muggen die hun huid verslonden en hun bloed opzogen. Een mug ging door de neusgaten van Namrud naar binnen en verbleef er vele jaren en gedurende die tijd onderging hij een ernstige kwelling. Om zijn pijn te verlichten werd hij met stokken op zijn hoofd geslagen totdat Allah hem vernietigde.

De migratie van Ibrahim naar Egypte

Allah zei:

"Dus geloofde Loeth in hem. Hij (Ibrahim) zei: 'Ik zal voor mijn Heer wegtrekken. Waarlijk, Hij is Almachtig, Alwijs.' En Wij ga­ven Ibrahim, Isaac en Yacoeb en bevalen voor zijn nageslacht het profeetschap en het Boek, en Wij gaven hem zijn beloning in deze wereld en waarlijk, in het hiernamaals is hij onder de rechtvaar­digen. " (Qs Al Ankaboet 29:26-27)

Allah zei ook:

"En Wij redden (en brachten) hem en Loeth tot het land dat Wij voor de wereldbewoners gezegend hadden. En Wij schonken hem Isaac en Yacoeb. Ieder maakten Wij rechtgeleid. En Wij maakten hen tot leiders, leidend door Ons bevel en Wij inspireerden hen om goede daden te doen, en de salaat perfect te verrichten en de zakat te geven en (alleen) van Ons waren zij aanbidders." (Qs Al Anbiya 21:71-73)

Ibn Kathir zei, dat, toen het volk van Ibrahim zich slecht gedroeg en in ongeloof volhardde, hij zijn vrouw Sarah en zijn neef Loeth meenam op een reis naar een plaats waar hij Allah kon aanbidden en de mensen tot Hem kon uitnodigen.

Imam Ahmad heeft verhaalt op gezag van Aboe Hoerairah, dat die zei: "Ibrahim ging een stad binnen in Egypte waar een despoot heerstte. Het werd aan hem bekend gemaakt, dat een vreemdeling (Ibrahim) Egypte was binnengekomen met een vrouw die een toon­beeld van volmaakte schoonheid was (Sarah)." De heerser nodigde hem uit naar hem toe te komen en stelde hem vragen over de vrouw die samen met hem was. Ibrahim vertelde hem, dat ze zijn zus was.

(Ibn Kathir vermeldt, dat Ibrahim bedoelde dat ze zijn zuster in het geloof was.) De heerser beval Ibrahim haar naar hem toe te sturen. Toen Ibrahim thuiskwam, vertelde hij wat er gebeurd was en wat hij tegen de heerser gezegd had, zodat zij niets anders zou zeggen. Hij vertelde haar, dat er geen gelovige echtgenoten op aarde waren in die tijd behalve zij tweeën, en geen andere gelovigen, behalve hun neef Loeth.

Toen ze bij de heerser binnenkwam, stond hij op en liep op haar toe. Zij nam de rituele wassing en bad: " O Allah! Als U weet dat ik in U geloofd heb en in Uw boodschapper en ik mijn kuisheid be­waard heb voor mijn echtgenoot, geef deze gelovige een toegang tot mij." De heerser stortte zich in het water totdat hij bijna verdronk. Zij zei: "Allah! Als hij sterft dan zullen ze mij er de schuld van geven." Toen werd hij gered. Hij stond op en kwam op haar toe. Zij nam de rituele wassing en bad: "O Allah! Als U weet dat ik in U geloofd heb en in Uw boodschapper en ik mijn kuisheid bewaard heb voor mijn echtgenoot, geef deze gelovige een toegang tot mij." De heerser stortte zich in het water totdat hij bijna verdronk. Zij zei: "Allah! Als hij sterft, dan zullen ze mij er de schuld van geven." Toen werd hij gered. De derde of de vierde keer zei de heerser: "Je hebt mij een duivel gestuurd. Geef haar aan Ibrahim terug en geef haar Hadjar (een slavin) als geschenk." Toen ze naar Ibrahim terugkeerde, zei ze tegen hem, "Kun je je voorstellen dat Allah de samenzweringen van de ongelovigen te niet deed en aan ons een slavin aanbood!"

Ibn Kathir zei, dat naderhand Ibrahim en zijn vrouw Sarah en zijn neef Loeth uit Egypte wegtrokken en met veel geld en vee naar Pa­lestina terugkeerden. Hadjar, het Egyptisch meisje vergezelde hen. Op verzoek van Ibrahim, ging Loeth naar Al-Ghaur en vestigde zich in Sodom, dat destijds de hoofdstad van het land was. Het ongelovi­ge volk aldaar was zeer kwaadaardig en losbandig.

De geboorte van Ismael

De mensen van het Boek zeiden: "Toen Ibrahim aan Allah vroeg om een goed nageslacht, gaf Allah hem het nieuws dat Hij aan zijn verzoek gehoor zou geven. Toen hij jaren lang in Jeruzalem geves­tigd was, zei Sarah tegen hem: "Daar Allah mij onvruchtbaar ge­schapen heeft, kun je Hadjar als vrouw nemen en zo misschien kin­deren krijgen." Toen raakte Hadjar in verwachting en zij voelde zich trots tegenover haar meesteres. Dit maakte Sarah jaloers en ze klaag­de tegen Ibrahim, die zei, dat ze zelf kon beslissen hoe ze zich moest gedragen tegenover haar. Hadjar werd bang en vluchtte naar een dichtbijzijnde bron. Een engel kwam naar haar toe en verzekerde haar, dat ze een kind zou baren wiens naam Ismaël zou zijn. Hij voegde eraan toe, dat de jongen zich zou onderscheiden onder zijn volk. Zij dankte Allah en keerde terug en schonk het leven aan Isma­ël. Dit gebeurde 13 jaar voor de geboorte van Isaac. Ibrahim was toen 86 jaar oud.

Ibn Kathir zei, dat de jaloersheid van Sarah zo erg werd, dat ze Ibrahim vroeg om Hadjar weg te brengen. Hij deed wat ze wilde, en voerde uit wat Allah reeds beslist had. Hij bracht haar en haar zoon naar een verre plek, het tegenwoordige Mekka.

De migratie naar Mekka

Al-Boechari heeft op gezag van Ibn 'Abbas overgeleverd, die zei: "De eerste vrouw die een gordel droeg was Hadjar, ze droeg hem om haar voetafdrukken uit te wissen voor Sarah. Ibrahim reisde met Hadjar en haar baby Ismaël, totdat hij haar zich liet vestigen in een gebied van het heilige Huis naast een boom in de buurt van de bron Zamzam. Er woonde toen nog niemand in Mekka. Er was geen water daar. Hij liet hen daar achter met een waterzak vol met water en een mand met dadels. Vervolgens maakte Ibrahim aanstalten naar huis terug te keren. Op dat moment volgde Hadjar hem en zei: 'Ibrahim! Ga je weg en wil je ons achterlaten in deze vallei waar geen mensen wonen en niets is om ons te onderhouden?' Zij herhaalde de vraag, maar hij antwoordde niet. Zij vroeg hem: 'Gaf Allah jou dit bevel?' Hij antwoordde: 'Ja.' Zij zei: 'Dan zal Hij ons niet in de steek laten.' Daarna keerde zij zich om en Ibrahim vervolgde zijn reis. Toen hij de Thaniyah (een bergketen) bereikte en uit het zicht verdwenen was, hief hij zijn handen op in de richting van het Huis en smeekte Allah: "O onze Heer! Ik laat een paar van mijn kinderen in een dal wo­nen waar geen landbouw is, bij Uw heilige Huis; zodat zij, O onze Heer hun salaat perfect kunnen verrichten, vul dus wat harten on­der de mensen met liefde voor hen en voorzie hen met vruchten zodat zij dankbaar kunnen zijn." (Qs Ibrahim 14:37)

Hadjar ging door met voeden van Ismaël en ze dronk van het wa­ter. Toen het water op was, kregen zij en haar baby dorst. Toen ze zag, hoe dorstig het baby'tje was, kon ze het niet verdragen en ging weg op zoek naar water. Ze kwam aan de berg Safa, die de dichtsbij-zijnde top was, en klom omhoog. Zij keek neer op de vallei in de hoop iemand te zien, maar er was niemand. Daarna daalde ze de berg Safa weer af en liep naar de vallei. Toen ze de vallei bereikt had, hield ze haar jurk vast en liep haastig en vermoeid. Nadat ze door de vallei gelopen was, kwam ze aan de berg Marwa, ze klom omhoog en keek rond of ze iemand zag, maar er was niemand. Zij herhaalde dit zeven keer.

Ibn 'Abbas vertelde, dat de Boodschapper van Allah (celle celaluhu)zei: "Dit is de reden, dat de mensen vlug lopen tussen hen (Safa en Marwa). Toen ze dichtbij de berg Marwa was, hoorde ze een geluid en zei: 'Luister!' (terwijl ze tegen zichzelf praatte). Daarna luisterde ze aan­dachtig en hoorde hetzelfde geluid. Toen sprak ze het geluid aan en zei: "De heb je gehoord, kom dan te voorschijn, als je kunt helpen." Daarna zag ze de engel in de bron van Zamzam. De engel was de grond aan het uitgraven met zijn hiel of met zijn vleugel, totdat er water opborrelde. Zij maakte een begrenzing aan vier kanten en vulde haar waterzak. Iedere keer als het water omhoog borrelde, nam ze een handvol."

Ibn 'Abbas vertelde, dat de Boodschapper van Allah zei: "Mo­ge Allah medelijden hebben met de moeder van Ismaël. Als ze de bron Zamzam verlaten had (zonder handen vol te nemen), dan zou het een vloeiend reservoir geworden zijn."

Daarna dronk ze en voedde haar baby. De engel zei tegen haar: "Wees niet bang, dat het water zal verdwijnen. Hier, op deze plek, zal het Huis van Allah gelegen zijn, en het zal later door deze baby en zijn vader gebouwd worden. Allah wenst niet, dat zijn bewoners van dorst omkomen. Het huis was toen even hoog als een heuvel. De stroming van het water waste zijn rechter- en linkerkant. Zij verbleef daar een tijdje, totdat een groep van de stam Djoerhoem van de kant van Kada' voorbijkwamen. Toen ze afdaalden naar Mekka, zagen ze een vogel die almaar rondvloog. Hieruit maakten ze op, dat de vogel water ontdekt had. Zij waren verbaasd, want zij kenden deze vallei en wisten, dat er geen water was. Zij stuurden één of twee bood­schappers om poolshoogte te nemen. De boodschappers vonden wa­ter en informeerden hun mensen hierover. Zij ontmoetten de moeder van Ismaël, terwijl ze bij het water stond. Zij vroegen om verlof zich daar een rustpauze te nemen. Zij vond het goed, maar zei, dat ze geen recht over het water hadden, hetgeen zij accepteerden.

Ibn 'Abbas vertelde, dat de Boodschapper van Allah (azze wa celle) zei: "Dit gebeurde, omdat de moeder van Ismaël een natuurlijk gevoel voor sociale relaties had. Zij vestigden zich daar en zonden bericht aan hun familie en kennissen die ook kwamen."

Toen de families zich vermeerderden en Ismaël een jongeling werd en Arabisch van hen leerde, bewonderden ze hem zeer. Toen hij volwassen werd, trouwde hij met één van hun vrouwen. Daarna stierf de moeder van Ismaël. Ibrahim kwam een keer na het huwelijk van Ismaël om hem op te zoeken, maar kon hem niet vinden. Toen hij zijn vrouw naar hem vroeg, vertelde ze hem, dat hij op zoek naar levensonderhoud erop uitgetrokken was. Hij vroeg hen over hun leefomstandigheden. Zij vertelde hem dat hun leefomstandigheden slecht waren en dat ze een zware tijd hadden. Toen zei hij, dat ze haar man de groeten moest doen en hem zeggen de drempel te ver­anderen. Toen Ismaël thuis kwam, voelde hij, dat er iemand geweest was. Daarom vroeg hij zijn vrouw ernaar. Zij beschreef zijn vader en vertelde hem wat hij haar gevraagd had en wat zij geantwoord had. Zij zei ook, dat de oude man over hun leefomstandigheden vragen gesteld had en wat ze hem geantwoord had. Hij vroeg haar of de oude man een boodschap had achtergelaten en zij vertelde hem er­over. Uiteindelijk zei hij, dat de bezoeker zijn vader was geweest en dat de boodschap betekende, dat hij van haar scheiden zou. Zo ge­lastte Ismaël haar naar haar familie te gaan, waarna hij van haar scheidde en met een andere vrouw trouwde.

Een lange tijd ging voorbij, totdat Ibrahim weer op bezoek kwam. Toen hij Ismaël een bezoek bracht, vond hij hem weer niet thuis en stelde hij dezelfde vragen aan zijn nieuwe vrouw die hij ook aan zijn eerste vrouw gesteld had. Zij vertelde hem, dat hun leefomstandig­heden goed waren en dat ze in welvaart leefden. Zij dankte Allah. Hij vroeg haar over hun voedsel en drinken. En zij antwoordde, dat ze vlees aten en water dronken. Hij bad tot Allah, dat Hij hen zegenin­gen zou geven over het vlees en het water.

Ibn 'Abbas vertelde, dat de Boodschapper van Allah M zei: "Des­tijds was er geen graan. Als er graan geweest zou zijn dan zou hij Allah verzocht hebben zegeningen over het graan te geven." Ibrahim zei tegen zijn schoondochter de groeten aan haar man te doen en zijn drempel te bevestigen. Toen Ismaël terugkeerde, vroeg hij aan zijn vrouw of er iemand geweest was, en zij vertelde wat er gebeurd was en sprak over de boodschap die de oude man achtergelaten had. Is­maël vertelde haar, dat de bezoeker zijn vader was geweest en dat hij hem bevolen had zijn vrouw te behouden.

Na een lange tijd bracht Ibrahim weer een bezoek aan Ismaël, terwijl hij dichtbij Zamzam onder een boom zat en een pijl aan het scherppen was. Toen Ismaël hem zag, stond hij op en toonde het nodige respect voor hem dat een zoon aan zijn vader schuldig is. Ibrahim vertelde zijn zoon toen, dat Allah hem iets bevolen had te doen. Daarop zei Ismaël: "Volbreng dan wat Allah je beveelt!" Ibra­him vroeg: "Help je mij erbij?" "Ja natuurlijk," antwoordde Ismaël. Ibrahim wees toen naar een heuvel en de omgeving ervan en zei: "Allah heeft mij bevolen een huis te bouwen op deze plaats." Daarna richtten ze op de fundamenten van het heilige Huis een gebouw op. Toen het gebouw hoog werd, maakten ze een rots als trede waar Ibrahim stond en Ismaël hem de rotsblokken aangaf. Gedurende dit proces herhaalden ze de volgende uitdrukking:... "Onze Heer, accep­teer (deze dienst) van ons. Waarlijk! U bent de Alhorende, de Alwe­tende. " (Qs Al Baqarah 2:127)

Zij gingen door met de zijwanden van het huis terwijl ze zeiden: ..."Onze Heer, accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk! U bent de Alhorende, de Alwetende." (Qs Al Baqarah 2:127)

Ibn Kathir zei, dat deze hadith de woorden van Ibn 'Abbas zijn. Sommigen ervan komen vreemd over. Het schijnt, dat hij verwees naar de Israëlitische verhalen. De contekst houdt niet het bevel van het offeren van Ismaël in. Ibn 'Abbas vertelde, dat Ibrahim zijn zoon slechts drie keer een bezoek bracht, het eerste bezoek was na de dood van Hadjar en het huwelijk van Ismaël. Dit betekent, dat hij Ismaël geen bezoek bracht sinds hij een baby was tot aan zijn huwelijk, ondanks het feit dat het land moeilijk begaanbaar was, voelde Ibra­him niet het ongemak van het reizen. Er wordt ook verteld, dat Ibra­him het rijdier Boeraq gebruikte, toen hij Ismaël en zijn moeder een bezoek bracht. Hoe is het dan mogelijk dat hij niet naging hoe hun omstandigheden waren in de tijd dat zij hem het meeste nodig had­den?

Het verhaal van het offer van Ismael

En hij zei: "Waarlijk, ik ga naar mijn Heer. Hij zal mij leiden! Mijn Heer! Geef mij (nageslacht) van de rechtvaardigen." Dus gaven Wij hem het goede nieuws van een verdraagzame jongen. En toen hij oud genoeg was om samen met hem te lopen, zei hij: "O mijn zoon! Ik heb een droom gezien, dat ik jou slacht, wat denk jij daarvan?" Hij zei: "O mijn vader! Doe wat jou bevolen is, als Allah het wil, zul jij mij onder de geduldigen vinden." Toen, ter­wijl zij zich allebei onderworpen hadden en hij had hem knielend op zijn voorhoofd neergelegd. En Wij naar hem riepen: "O Ibra­him! Jij hebt de droom vervuld!" Waarlijk! Dus belonen Wij de weldoeners. Waarlijk, dat was zeker een duidelijke beproeving. En Wij hebben hem vrijgekocht met een groot offer; en Wij lieten aan hem (een goede herinnering) onder de generaties in latere tijden. Vrede zij met Ibrahim!" Zo belonen Wij zeker de weldoeners. Waarlijk, hij was één van Onze gelovende dienaren. En Wij gaven hem het goede nieuws van Isaac — een profeet van de rechtvaardi­gen. Wij zegenden hem en Isaac en van hun beschermelingen zijn er die goed doen en sommigen doen zichzelf duidelijk onrecht aan. (Qs As Shajfat 37:99-113)

Ibn Kathir zei, dat er vermeld werd, dat toen Ibrahim emigreerde uit het land van zijn volk hij aan Allah verzocht hem een rechtscha­pen zoon te geven. Toen gaf Allah hem goed nieuws over een zoon die klaar zou staan zich op te offeren en te lijden. De zoon was Isma­ël omdat hij het eerste kind van Ibrahim was. Alle goddelijke wetten zijn het hierover eens. Ibrahim was toen 86 jaar oud.

Allah zei: "En toen hij oud genoeg was om samen met hem te lo­pen..." (Qs As Shaffat 37:102) zag Ibrahim in een droom, dat hem bevolen werd zijn zoon te slachten. In een hadith die door Ibn 'Ab­bas verteld wordt, zei hij: "De dromen van de profeten zijn inspira­ties."

Dit was een nieuwe beproeving voor Ibrahim. Eerst werd hem bevolen zijn vrouw en zijn enige zoon Ismaël in een onvruchtbaar en onbewoonbaar land achter te laten en hij voerde het bevel uit, terwijl hij zijn hoop op Allah richtte en zich aan Hem overgaf. Vervolgens verzachtte Allah het leed van de moeder en het kind en voorzag hen van bronnen die zij zich nooit hadden kunnen voorstellen. En nu beveelt Allah aan Ibrahim zijn enige zoon op te offeren, die geboren werd, toen Ibrahim al heel oud was. Ibrahim haastte zich echter het bevel van Allah uit te voeren en besprak de zaak daarna met Ismaël om de psychologische druk te verzachten, in plaats van het bevel met geweld uit te voeren. Allah zei hierover: "O mijn zoon! Ik heb een droom gezien, dat ik jou slacht, wat denk jij daarvan?"...(Qs As Shaffat 37:102) De zoon antwoordde meteen zonder aarzeling: "O mijn vader! Doe wat jou bevolen is, als Allah het wil, zul jij mij on­der de geduldigen vinden." (Qs As Shaffat 37:102) Dit laat zien hoe goed en gehoorzaam de zoon was tegenover zijn Heer en zijn vader.

Toen, terwijl zij zich allebei onderworpen hadden en hij had hem knielend op zijn voorhoofd neergelegd. (Qs As Shaffat 37:103)

Ibn 'Abbas zei dat Ibrahim zijn zoon liet knielen en op zijn voor­hoofd neerlegde, zodat hij gedurende het slachten niets kon zien.

Al-Soeddi zei: "Toen Ibrahim het mes op de keel van Ismaël zet­te, sneed het niet." Er wordt gezegd, dat er zich een goudkleurige cirkel vormde rond de hals van Ismaël, die het mes ervan weerhield de keel te bereiken.

Ibn Kathir zei, dat op dat ogenblik Allah tot Ibrahim riep: "O Ibrahim! Jij hebt de droom vervuld!".. (Qs As Shaffat 37:105) het­geen betekent, dat het doel van de droom al vervuld is, d.w.z. jouw overgave aan de wil van Allah en jouw gehoorzaamheid tegenover Hem.

En Wij hebben hem vrijgekocht met een groot offer... (Qs As Shaf­fat 37:105) Dit offer was in plaats van het offer van zijn zoon. Vol­gens de mening van de meeste geleerden, was het offerdier een witte ram met heldere ogen en stevige hooms, die Ibrahim vastgebonden vond aan een doornachtige plant op de berg Thabir in Mekka.

Ibn 'Abbas vertelde, dat zo'n ram gedurende veertig jaar in het paradijs gegrazen had, voordat hij in Mina geofferd werd, dit is vol­gens het verslag van Moedjahid, of in de verblijfplaats van Ibrahim, volgens het verslag van 'Oebaid bin 'Oemair.

Ibn 'Abbas vertelde, dat de kop van het ram nog aan de Ka'aba hing terwijl het al droog was.

Volgens de mening van Ibn Kathir was dit een bewijs, dat de ge­offerde Ismaël was, omdat hij in Mekka leefde, niet Isaac, zoals de joden beweren, daar het niet overgeleverd is, dat Isaac een bezoek bracht aan Mekka toen hij jong was. Dit is duidelijk in de tekst van de Qoer'aan, die het verhaal van het goede nieuws aan Ibrahim van zijn zoon Isaac vermeldt na het verhaal van het offer.

Het beste bewijs van deze gebeurtenis is hetgeen Mohammed bin Ka'b Al-Qardhi afleidt. Hij gaf commentaar op het vers uit de Qoer'aan: ...Maar Wij gaven haar het goede bericht van Isaac en na hem van Yacoeb (Qs Hoed 11:71) zeggende: "Hoe kan aan Ibrahim het goede nieuws van Isaac gegeven worden en dat Isaac de vader van Yacoeb zou zijn, terwijl Ibrahim daarna het bevel krijgt Isaac te offeren als jonge jongen, nog voordat hij volwassen was en hij een kind met de naam Yacoeb had gekregen?!" Dit staat in tegenstelling met het eerder genoemde goede nieuws. Allah weet het beter.

Ibn Jarir heeft overgeleverd dat Ibn 'Abbas gezegd had: "De op­geofferde is Ismael." De joden beweerden, dat de opgeofferde Isaac was, maar dat was een leugen.

Volgens Ibn Kathir was de bewering van de joden, dat de opgeof­ferde Isaac was, voortgekomen uit hun jaloersheid tegenover de Ara­bieren. Dit is zo, omdat Ismaël de vader van de Arabieren is, waartoe Hadjar behoorde en ook de profeet Mohammed (a.s) Van de andere kant was Isaac de vader van Yacoeb en van Israël die tot de joden behoorde. Op die manier wilden zij zichzelf met deze eer een privi­lege geven, hetgeen hen ertoe aanzette de woorden van Allah te ver­draaien en er iets aan toe te voegen. Zij waren een kwaadaardig volk, dat niet inzag, dat alle zegeningen van Allah komen en dat Hij ze geeft aan degene die Hij maar wil.

De geboorte van Isaac

Allah zei:

"En Wij gaven hem het goede nieuws van Isaac — een profeet van de rechtvaardigen. Wij zegenden hem en Isaac en van hun be­schermelingen zijn er die goed doen en sommigen doen zichzelf duidelijk onrecht aan." (Qs As Shaffat 37:112-113)

Ibn Kathir zei, dat het goede nieuws van Isaac aan Ibrahim en Sa-rah overgebracht werd door de engelen, toen ze op weg waren de steden van Sodom te verwoesten, zoals het later in de betreffende tekst uitgelegd zal worden.

Allah zei: "En waarlijk, Onze boodschappers kwamen naar Ibrahim met goed nieuws. Zij zeiden: 'Vrede!' Hij antwoordde: 'Vrede' en hij haastte zich om hen te voorzien van een geroosterd kalf. Maar toen hij zag, dat hun handen niet naar het (maal) reikten, werd hij wat argwanend en werd bang voor hen. Zij zeiden: 'Heb geen angst, wij zijn naar het volk van Loeth gestuurd.' En zijn vrouw stond (daar) en zij lachte. Maar Wij gaven haar het goede bericht van Isaac en na hem van Yacoeb. Zij zei: 'Wee voor mij! Zal ik een kind dragen, terwijl ik een oude vrouw ben en mijn echtgenoot een oude man? Waarlijk! Dit is een vreemde zaak!' Zij zeiden: 'Verwonder jij je over het besluit van Allah? De genade van Allah en Zijn zegeningen zijn over jullie, o bewoners van het huis. Zeker,

Hij is Prijzenswaardig, Glorieus.'" (Qs Hoed 11:69-73)

Allah zei ook:

"Heeft het verhaal van de geëerde gasten van Ibrahim jullie be­reikt? Toen zij tot hem kwamen en zeiden: 'Vrede!' Hij antwoord­de: 'Vrede' en zei: 'Jullie zijn onbekende mensen voor mij.' Toen keerde hij zich tot zijn huishouding, en bracht zo een geroosterd kalf. En plaatste het voor hen (zeggende): 'Willen jullie niet eten?' (Toen zij niet aten.) werd hij bang voor hen. Zij zeiden: 'Vrees niet.' En zij gaven hem het goede nieuws van een intelligente zoon. Toen kwam zijn vrouw tevoorschijn met een luide stem, zij sloeg zich in haar gezicht en zei: 'Een oude, onvruchtbare vrouw!' Zij zeiden: 'Zelfs dan, zegt jullie Heer. Waarlijk, Hij is de Alwijze, de Alwetende.' (Qs Ad-Dzariyat 51:24-30)

Het wordt verteld, dat er drie engelen bij Ibrahim binnenkwamen en wel Jibriel, Mika'il en Israfd. Hij dacht, dat ze gasten waren en behandelde hen aldus. Hij roosterde een vet kalf. Allah zei: "Maar toen hij zag, dat hun handen niet naar het (maal) reikten,..." (Qs Hoed 11:70) Zij maakten geen aanstalten om te eten. "...werd hij wat argwanend en werd bang voor hen. Zij zeiden: "Heb geen angst, wij zijn naar het volk van Loeth gestuurd. " Hetgeen betekent, dat ze naar het volk van Loeth gestuurd waren om hun steden te vernietigen. Toen ze dit hoorde, verheugde Sarah zich, omdat Allah Zich op de ongelovigen zou wreken. Ze was de gasten aan het bedienen, zoals het een gewoonte was bij de Arabieren en anderen. Maar Wij gaven haar het goede bericht van Isaac en na hem van Yacoeb (Qs Hoed 11:71) De engelen voerden hun taak uit.

Zij zei: "Wee voor mij! Zal ik een kind dragen, terwijl ik een oude vrouw ben en mijn echtgenoot een oude man?" (Qs Hoed 11:72) Noch mijn man noch ik zijn daartoe in staat. Bovendien ben ik te oud en een onvruchtbare vrouw.

Waarlijk! Dit is een vreemde zaak!" (Qs Hoed 11:72) In een an­der vers zegt Allah: "Toen kwam zijn vrouw tevoorschijn met een luide stem, zij sloeg zich in haar gezicht..." (Qs Ad-Dzariyat 51:29) zoals vrouwen veelal doen om verwondering te tonen, en zei: "Een oude, onvruchtbare vrouw!" (Qs Ad-Dzariyat 51:29) De engel ant­woordde haar en zei:

"Verwonder jij je over het besluit van Allah? De genade van Allah en Zijn zegeningen zijn over jullie, o bewoners van het huis. Zeker, Hij is Prijzenswaardig, Glorieus." (Qs Hoed 11:73)

Ibrahim was ook verbaasd en vol vreugde met zulk goed nieuws en in een poging dat te bevestigen zei hij:

"Brengen jullie mij goed nieuws als ik al oud ben! Waar is jullie nieuws dan van?" Zij zeiden: "Wij brengen jou goed nieuws in waarheid. Behoor dus niet tot de wanhopigen." (QsAl-Hidjr 15:54-55)

De bouw van het heilige Huis

Allah zei:

"En (gedenk) toen Wij Ibrahim de plaats van het Huis lieten zien, (zeggende): 'Verenig niets met Mij, en heilig Mijn Huis voor de­genen die er in cirkels omheen lopen en degenen die voor het ge­bed rechtop staan, en degenen die buigen, en knielen.' En verkon­dig aan de mensheid de hadj. Zij zullen te voet en op elke magere kameel tot jullie komen, zij zullen van diepe en verre bergpassen komen." (Qs Al Al Hadj 22:26-27)

Allah zei ook:

"Waarlijk, het eerste huis is voor de mensheid in Bakka aangewe­zen, vol zegeningen en een leiding voor de wereldbewoners. Daar­in zijn duidelijke tekenen, (bijvoorbeeld) de plaats van Ibrahim. Wie daar ook binnengaat, is in veiligheid. En de hadj naar het

Huis is een plicht die de mensheid aan Allah verschuldigd is, de­gene die het zich kan veroorloven, en iedereen die ongelovig is, dan heeft Allah de wereldbewoners niet nodig." (Qs AU Imraan 3:96-97)

Allah zei verder:

"En (herinner je) dat de Heer van Ibrahim hem met enige bevelen beproefde, welke hij vervulde. Hij (Allah) zei (tot hem): 'Waarlijk, Ik zal van jou een leider maken van de mensheid.' Ibrahim zei: 'En ook mijn nageslacht?' Allah zei: 'Mijn verbond (profeetschap) heeft geen onrechtvaardigen onder zich. En (herinner je,) dat Wij het Huis (de Ka'aba in Mekka) tot een plaats van toevlucht en tot een veilige plaats gemaakt hebben. En neem voor jouw (mensen) de plek van Ibrahim als een gebedsplaats en Wij hebben Ibrahim en Ismaël bevolen, dat zij Mijn huis moeten reinigen voor degenen die daarom heen lopen of daar verblijven of daar buigen en neer­knielen. En (herinner je,) toen Ibrahim zei: 'Mijn Heer, maak van deze stad een veilige plaats en voorzie haar bevolking, die in Allah en de laatste dag geloven, van fruit.' Hij antwoordde: 'De ongelo­vigen zal Ik een tijdje tevredenheid geven, en dan zal Ik hen aan de bestraffing van het vuur onderwerpen, en dat is zeker de ergste bestemming.' En (herinner je), toen Ibrahim en (zijn zoon Ismaël) de funderingen van het huis (de Ka'aba in Mekka) legden (zeg­gende): 'Onze Heer, accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk! U bent de Alhorende, de Alwetende. Onze Heer! En laat ons aan U onderwerpen en ons nageslacht een natie van degenen zijn die zich aan U onderwerpen en laat aan ons onze rituelen van de hadj zien en accepteer ons berouw. Waarlijk, U bent de Ene Die be­rouw accepteert, de Genadevolle. Onze Heer! Stuur onder hen een boodschapper van henzelf die aan hen Uw verzen zal reciteren en hen in het boek en volledige kennis van de islamitische wet en ju­risprudentie zal onderrichten en maak hen heilig. Waarlijk! U bent de Almachtige, de Alwijze.'" (Qs Al Baqarah 2:124-129)

Enkele van de rechtschapen voorvaderen zeiden: "In iedere hemel is een huis waarin de bewoners van die hemel Allah aanbidden. Een dergelijk huis op aarde is de Ka'aba."

Ibn Kathir zei, dat Allah aan Ibrahim beval een huis voor Hem te bouwen op aarde dat zou lijken op die huizen die voor de aanbidding van de engelen in de hemelen gemaakt zijn. Allah leidde Ibrahim naar de exacte plaats van het huis, die reeds vastgesteld werd, toen Allah de hemelen en de aarde schiep. Volgens een authentieke over­levering uit twee oorspronkelijke hadithboeken is Mekka de plaats die als heilig verklaard werd vanaf de tijd dat Allah de hemelen en de aarde schiep. Het zal een heilige plaats blijven, zoals Allah verklaard heeft, tot aan de Dag der Opstanding.

De Ka'aba is parallel gelegen aan de Veel-Bezochte-Tempel, die beschouwd wordt als de Ka'aba van de bewoners van de zevende hemel, wanneer die naar beneden zou vallen zou ze boven op de Ka'aba op de aarde terecht zou komen. De huizen van aanbidding in andere hemelen zijn vergelijkbaar gelegen.

Allah zei:

"Waarlijk, het eerste huis is voor de mensheid in Bakka aangewe­zen, vol zegeningen en een leiding voor de wereldbewoners." (Qs AH Imraan 3:96)

De eerste plaats van aanbidding waar de mens zegeningen en lei­ding kon vinden, was het huis dat in Bakka of Mekka gelegen was. Er wordt gezegd, dat het opgericht was op de huidige plaats van de Ka'aba: daarin zijn duidelijke tekenen...(Qs AU Imraan 3:97), die aangeven dat het de constructie van Ibrahim was, de vader van alle profeten, die deze traditie zullen volgen en eraan vasthouden. ...de plaats van Ibrahim...(Qs AU Imraan 3:97), de rots waarop hij stond, toen het gebouw hoger werd dan hijzelf. De voetafdrukken van Ibra­him bleven op deze rots tot aan de eerste dagen van de islam. De rots zat vast aan de muur van de Ka'aba, zoals altijd, totdat de kalief 'Oemar bin Al-Khathab een kleine afstand liet maken tussen de

Ka'aba en de rots, zodat de pelgrims die daar baden, niet afgeleid zouden worden door degenen die de rondgang om de Ka'aba maak­ten.

Allah zei: "En (herinner je) toen Ibrahim en (zijn zoon Ismaël) de funderingen van het huis (de Ka'aba in Mekka) legden... (Qs Al Baqarah 2:127) (met dit gebed): "Onze Heer, accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk! U bent de Alhorende, de Alwetende. (Qs Al Baqarah 2:127) Zij zijn in een staat van volledige devotie en ge­hoorzaamheid aan Allah, terwijl ze Hem vragen hun prijswaardige onderneming te aanvaarden.

Onze Heer! En laat ons aan U onderwerpen en ons nageslacht een natie van degenen zijn die zich aan U onderwerpen en laat aan ons onze rituelen van de hadj zien en accepteer ons berouw. Waarlijk, U bent de Ene Die berouw accepteert, de Genadevolle. (QsAl Baqarah 2:128)

De Ka'aba bleef een lange tijd zoals Ibrahim hem gebouwd had. De Qoeraish veranderden de Ka'aba en maakten de ruimte van de zuidelijke zijde die naar de richting van Syrië wijst kleiner dan ze was in de tijd van Ibrahim. Tot de dag van vandaag is het zo geble­ven.

In de twee authentieke boeken van Moeslim en Al-Boechari werd overgeleverd, dat op gezag van 'Aishah de Profeet ft tegen haar zei: "Heb je niet gezien dat, toen jouw volk de Ka'aba weer op­bouwde, ze zich niet hielden aan de fundamenten die door Ibrahim gelegd waren?" Zij antwoordde: "O Boodschapper van Allah! Waar­om verander je het niet, zodat het weer op de fundamenten van Ibra­him rust?" Hij zei: "Als je volk niet nog dichtbij de periode van on­geloof geweest was, (in een overlevering: Als je volk niet nog dicht­bij de periode van onwetendheid geweest was,) dan had ik de schat van de Ka'aba uitgegeven voor Allah, en had ik de poort dichtbij de aarde gemaakt en de rots eraan vast."

Ibn Kathir zei, dat 'Abdoellah bin Zoebair (moge Allah hem ver­geven) de Ka'aba opnieuw opbouwde, toen zijn tante, de moeder van de Gelovigen, 'Aishah, dat aan hem vroeg, hetgeen in overeenstem­ming was met dat wat de Profeet (vzmh) had gewenst.

Toen Al-Hadjadj 'Abdoellah doodde in 73 A.H., schreef hij een brief aan kalief 'Abdoel-Malik bin Marwan. Zij dachten, dat de ver­andering van de Ka'aba die 'Abdoellah introduceerde de wens van hemzelf was. Dus beval de kalief, dat de vorm van de Ka'aba weer gemaakt moest worden zoals die was voor de tijd van 'Abdoellah bin Zoebair. Daarna werd er een gat gemaakt in de Syrische muur, en de rots uit de Ka'aba gehaald, waarna de muur weer dichtgemaakt werd, en het binnenste van de Ka'aba met rotsen gevuld werd, die ervoor zorgden dat de oosterse ingang omhoog ging, terwijl de westerse ingang helemaal geblokkeerd was. Toen zij hoorden, dat de verande­ringen die 'Abdoellah aanbracht in overeenstemming waren wat 'Aishah hem over de Profeet (a.s) had verteld, betreurden ze het en wensten ze, dat ze niet veranderd hadden wat hij gedaan had.

Tijdens de periode van Al-Madi, zoon van Al-Mansoer, raad­pleegde hij Imam Malik om de Ka'aba weer volgens het plan van 'Abdoellah bin Zoebair te reconstrueren. Maar Imam Malik stond niet achter dit idee, uit angst dat de koningen de Ka'aba zouden ge­bruiken voor hun persoonlijke wensen en de constructie naar belie­ven zo nu en dan zouden veranderen. Er werd overeengekomen, dat de Ka'aba zo zou blijven als wij die tegenwoordig zien.

Allah zei: "En (herinner je), toen Ibrahim zei: 'Mijn Heer, maak van deze stad een veilige plaats en voorzie haar bevolking, die aan Allah en de laatste dag geloven, van fruit.'"...  (Qs Al Baqarah 2:126)

Toen Ibrahim, die Allah na stond, de moskee die het meest gerespecteerd is, bouwde (de Ka'aba) in de meest geëerde plaats (Mekka) in een niet-gecultiveerde vallei en Allah smeekte om aan de bewoners zegeningen te geven en hen te voorzien van vruchten, hoe­wel er geen water was en geen bomen, planten of vruchten, en dat

Hij van dit gebied een veilig heiligdom zou maken, aanvaardde Allah zijn gebed en gaf hem waar hij om vroeg. Allah zei: "Hebben zij niet gezien, dat Wij een veilig Heiligdom hebben gemaakt en dat de man­nen om hen heen weggegrist worden?"  (Qs Al Ankaboet 29:67)

Allah zei ook:

"Hebben Wij niet voor hen een veilig Heiligdom (Mekka) inge­steld, waarvoor allerlei soorten fruit worden gebracht - een voor­ziening van Onszelf'... (Qs Al Qashash 28:57)

Ibrahim vroeg ook aan Allah een boodschapper te sturen naar het volk van Mekka die tot hen behoorde en hun taal sprak, terwijl hij op deze manier de welvaart in deze wereld en het hiernamaals combi­neerde. Hij zei:

"Onze Heer! Stuur onder hen een boodschapper van henzelf die aan hen Uw verzen zal reciteren en hen in het boek en volledige kennis van de islamitische wet en jurisprudentie zal onderrichten en maak hen heilig. Waarlijk! U bent de Almachtige, de Alwijze." (Qs Al Baqarah 2:129)

Deze smeekbede werd ook door Allah verhoord en Hij zond naar hen de boodschapper Mohammed ft als de bezegeling van alle profe­ten en boodschappers, en gaf aan hem een volmaakte wet, zoals geen andere daarvoor geweest was. Zijn uitnodiging gold de hele wereld, waaronder mensen van verschillende rassen, talen en karaktereigen­schappen.

Vanwege de lofwaardige inspanning die Ibrahim zich getroost had in het oprichten van de fundamenten van de Ka'aba voor het volk op aarde, was hij het waard een onderscheiden status te verkrij­gen in de hemelen in Het Veelbezochte Heiligdom, de Ka'aba van de inwoners van de zevende hemel. Het is dat Gezegend Huis, waarin zeventigduizend engelen iedere dag binnentreden om Allah te aan­bidden en nooit naar buiten gaan tot aan de Dag der Opstanding.

Het onderwerp van leven geven aan de doden

Allah zei: "En (gedenk,) toen Ibrahim gezegd had: 'Mijn Heer! Laat mij zien hoe U leven aan de doden geeft.' Hij zei: 'Geloof je niet?' Hij zei: 'Ja, maar om sterker in mijn geloof te zijn.' Hij zei: 'Neem vier vogels, slacht ze en snij ze in stukken en leg dan een deel van hen op elke heuvel, en roep hen, en zij zullen zich haasten om naar jou toe te komen. En weet dat Allah Almachtig is, Alwijs. (Qs Al Baqarah 2:260)

Volgens Ibn Kathir vermeldden de geleerden vele redenen voor de vraag die Ibrahim stelde. Sommige zeiden: "Toen Ibrahim tegen Namrud zei: 'Mijn Heer is Degene Die het leven geeft en de dood veroorzaakt.'...( Qs Al Baqarah 2:258), wenste hij het niveau van de zekerheid van het oog te ontvangen, nadat hij de zekerheid van het hart ontvangen had, en wilde met zijn ogen getuige zijn van het pro­ces van leven en dood, omdat het zien met eigen ogen meer zeker­heid geeft dan de methode van gevolgtrekking.

En in de hadith die door Al-Boechari overgeleverd werd op gezag van Aboe Hoerairah, zei de Profeet (a.s)  "Wij hebben meer recht te twijfelen, dan Ibrahim toen hij zei: "Mijn Heer! Laat mij zien hoe U leven aan de doden geeft." Hij zei: "Geloof je niet?" Hij zei: "Ja, maar om sterker in mijn geloof te zijn." Aboe Ibrahim Al-Mazni gaf commentaar op deze hadith en zei: "De twijfel van Ibrahim en Mo­hammed ft betrof het al of niet beantwoorden van de vraag van Al­lah. Het had niets te doen met de macht van Allah om leven aan de doden te geven."

Het resultaat was, dat Allah de vraag van Ibrahim beantwoordde. Hij beval hem vier soorten vogels te brengen en hun vlees en veren te verscheuren, en deze te mengen, in vier porties te verdelen en elke portie op een heuvel te leggen. Toen Ibrahim dit gedaan had, beval Allah hem de vogels te roepen met verlof van zijn Heer. Ieder deel van de vogels en iedere veer verzamelde zich, totdat de lichamen van de vogels weer helemaal volledig waren. Vervolgens kwamen de vogels wandelend naar hem toe, zodat hij ze goed kon zien. Er wordt ook gezegd, dat Ibrahim het bevel kreeg de koppen van de vogels in zijn hand vast te houden. Toen iedere vogel naar hem toe kwam gooide hij iedere kop apart en die werd vastgezet aan de betreffende vogel.

İbrahim was noch een jood noch een christen

Allah zei: "O, mensen van het Boek, waarom redetwisten jullie over Ibra­him, want de Torah en de Indjiel werden pas na hem geopen­baard. Hebben jullie geen verstand? Waarlijk, jullie zijn degenen die redetwisten over datgene waarover jullie kennis hebben. Waarom redetwisten jullie niet over datgene, waarover jullie geen kennis hebben. Allah weet het en jullie weten het niet. Ibrahim was geen jood, noch een christen, maar hij was een ware moslim (Ha-nifan) - en verenigde niemand in de aanbidding van Allah. Waar­lijk, onder de mensheid zijn degenen die het naast tot Ibrahim zijn degenen die hem volgen zoals deze profeet en degenen die hem ge­loven. En Allah is de beschermer van de gelovigen. " (Qs AU Imraan 3:65-68)

Ibn Kathir zei, dat Allah de bewering, dat Ibrahim de dogma's van de joden en de christenen volgde, verwierp. Allah sprak hem vrij van dergelijke beweringen en liet hen zien hoe onwetend en gedach­teloos ze waren. Allah zei: "Want de Torah en de Indjiel werden pas na hem geopenbaard." (Qs AU Imraan 3:65) Hoe kan dan iedere partij beweren, dat Ibrahim hun wetten volgde, hoewel hun wetten pas lang na hem van kracht werden?! Om deze reden berispte Allah hen en zei: "Hebben jullie geen verstand?" De verzen gaan door, tot Allah zegt:

"Ibrahim was geen jood, noch een christen, maar hij was een ware moslim (Hanifan) en verenigde niemand in de aanbidding van Allah." (Qs Ali Imraan 3:67)

Dit laat duidelijk zien, dat Ibrahim de islam accepteerde, die in tegenstelling staat tot de corrupte geloven van de joden, christenen en polytheïsten. Allah zei verder:

"En wie keert zich van de godsdienst van Ibrahim af anders dan hij die zichzelf voor de gek houdt? Waarlijk, Wij hebben hem in deze wereld uitgekozen en waarlijk, in het hiernamaals zal hij on­der de rechtvaardigen zijn. Toen zijn Heer tegen hem zei: 'On­derwerp je!' zei hij: 'Ik heb mijzelf onderworpen aan de Heer van het universum.' En dit was door Ibrahim aan zijn zonen opgelegd, en dat deed Yacoeb (ook, zeggende): 'O mijn zonen! Allah heeft voor jullie de ware godsdienst uitgekozen en sterf niet, tenzij je moslim bent.' Of waren jullie getuige toen de dood Yacoeb bena­derde? Toen hij tegen zijn zonen zei: 'Wat zullen jullie na mij aanbidden?' Zij zeiden: 'Wij zullen jouw 'Illah (God-Allah) aan­bidden, de Illah van je vaderen, Ibrahim, Ismaël en Isaac, één Il­lah en aan Hem onderwerpen wij ons.' Dat is een natie die nu uit­gestorven is. Zij zullen de beloning krijgen van wat zij verdiend hebben en jullie van wat jullie verdiend hebben. En jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij deden. En zij zeggen: 'Wees joden of christenen dan zullen jullie geleid zijn.' Zeg: 'Nee (wij volgen) de godsdienst van Ibrahim, 'Hanifan' en hij was nooit on­der degenen die deelgenoten aan Allah toekenden!' Zeg: 'Wij ge­loven in Allah en datgene wat Hij aan ons neer gezonden heeft en dat wat aan Ibrahim, Ismaël, Isaac en de stammen is gegeven en dat wat aan Moesa gegeven is en aan Isa, en dat wat aan de profe­ten van hun Heer gegeven is. Wij maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem hebben wij ons onderworpen.' Als zij dus geloven in hetzelfde als jullie geloven, dan zijn zij rechtgeleid, maar als zij zich afwenden, dan zijn ze slechts in de vijandschap. Allah is dus voor jullie voldoende tegen hen. En Hij is de Alhorende, de Alwe­tende. Onze godsdienst is de godsdienst van Allah en welke gods­dienst is beter dan die van Allah. En wij zijn Zijn aanbidders. Zeg: 'Redetwisten jullie met ons over Allah terwijl Hij onze Heer en jul­lie Heer is? En wij zullen voor onze daden beloond worden en jul­lie voor jullie daden. En wij zijn in onze aanbidding en gehoor­zaamheid voor Hem oprecht. Of zeggen jullie dat Ibrahim, Ismaël, Isaac, Yacoeb en de stammen joden en christenen waren?' Zeg: 'Weten jullie het beter of (weet) Allah (het beter)? En wie is on­rechtvaardiger dan degenen die de getuigenis die zij van Allah hebben gekregen, verbergen? En Allah is niet onachtzaam van wat jullie doen.' Dat is een volk dat uitgestorven is. Zij zullen de belo­ning krijgen die zij verdienden, en jullie zullen krijgen wat jullie verdienden. En jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij deden." (Qs Al Baqarah 2:130-141)

Allah beweerde, dat Ibrahim noch een jood noch een christen was, noch zelfs een polytheïst. Integendeel was hij een echte volge­ling van de islam. Om deze reden zei Allah: "Waarlijk, onder de mensheid zijn degenen die het naast tot Ibrahim zijn degenen die hem volgen... (Qs AU Imraan 3:68) degenen die zijn geloofsbelijde­nis volgden onder zijn tijdsgenoten en degenen die na hem kwamen ....zoals deze profeet (Qs AU Imraan 3:68) Hiermee wordt de profeet Mohammed ft bedoeld, want Allah bracht tot stand hetgeen Hij ook aan Ibrahim voorschreef, maar vervolmaakte het en gaf hem zege­ningen die geen enkele van de voorafgaande profeten ontvangen had. Allah zei:

"Zeg: 'Waarlijk, mijn Heer heeft mij op het rechte pad geleid, een juiste godsdienst, de godsdienst van Ibrahim Hanifan en hij was nooit onder degenen die anderen dan Allah aanbaden.' Zeg:

'Waarlijk mijn gebed, mijn offer, mijn leven en mijn dood zijn voor Allah, de Heer van de wereldbewoners. Hij heeft geen deelgeno­ten. En dit is mij bevolen en ik ben de eerste van de moslims.'' (Qs Al An'am 6:161-163)

Allah zei ook: "Waarlijk, Ibrahim was een voorbeeld, gehoorzaam aan Allah, oprecht in het geloof en hij behoorde niet tot de afgodendienaars. (Hij was) dankbaar voor Zijn gunsten. Hij koos hem uit en leidde hem op het rechte pad. En Wij gaven hem het goede in deze we­reld en in het hiernamaals zal hij tot de rechtvaardigen behoren. Toen hebben Wij jou geïnspireerd, (zeggende): 'Volg de gods­dienst van Ibrahim, oprecht in het geloof, hij behoorde niet tot de afgodendienaars. (QsAnNahl 16:120-123)

Al-Boechari heeft op gezag van Ibn 'Abbas overgeleverd dat toen de Profeet (a.s) tekeningen zag op de muren van het Huis (aan de bin­nenkant van de Ka'aba) tijdens de verovering van Mekka, hij er niet naar binnen ging totdat de tekeningen uitgewist waren. Hij zag (de afbeeldingen van) Ibrahim en Ismaël met de waarzeggerij van pijlen in hun handen. Hij zei: "Moge Allah hen vervloeken! (Degenen die de afbeeldingen maakten). Bij Allah, zij (Ibrahim en Ismaël) prakti­seerden nooit waarzeggerij." In een andere overlevering waren zijn woorden als volgt: "De vervloeking van Allah zij met hen. Zij wisten best, dat onze oude man (Ibrahim) nooit waarzeggerij met pijlen praktiseerde."

Lof van Allah voor Ibrahim

Allah zei: "En (herinner je, dat de Heer van Ibrahim hem met enige bevelen beproefde, welke hij vervulde. Hij (Allah) zei (tot hem): 'Waarlijk, Ik zal van jou een leider maken van de mensheid.' Ibrahim zei: 'En ook mijn nageslacht?' Allah zei: 'Mijn verbond (profeetschap) heeft geen onrechtvaardigen onder zich. (QsAlBaqarah 2:124)

Ibn Kathir zei, dat, toen Ibrahim de bevelen van zijn Heer uit­voerde, Allah hem aanstelde als imam wiens voorbeeld door de men­sen zou worden gevolgd. Toen hij aan Allah vroeg het imamschap onder zijn navolgers uit te breiden, vervulde Allah zijn wens, en sloot de zondaars uit. Allah zei hierover:

"En Wij gaven hem Isaac en Yacoeb en bevalen voor zijn nage­slacht het profeetschap en het Boek, en Wij gaven hem zijn belo­ning in deze wereld en waarlijk, in het hiernamaals is hij onder de rechtvaardigen." (Qs Al Ankaboet 29:27)

Allah zei ook: "En Wij gaven hem Isaac en Yacoeb, ieder van hen leidden Wij, en voor hem leidden Wij Noah en onder zijn nageslacht Dawoed, Soeleiman, Ayyoeb, Yoesoef Moesa en Haroen. Dus belonen Wij de weldoeners. En Zacharia en Yahya en Isa en Ilias, ieder van hen was rechtvaardig. En Ismaël en Elisha en Yoenah en Loeth en aan ieder van hen gaven Wij de voorkeur boven de wereldbewo­ners. En ook aan een aantal van hun voorouders en nageslacht en' van hun broeders, Wij hebben hen uitverkoren en Wij hebben hen op het rechte pad geleid." (Qs Al An'am 6:84-87)

Allah zei verder: "En voorwaar, Wij hebben Noah en Ibrahim gestuurd en aan hun nageslacht het profeetschap en het boek geschonken en onder hen zijn er die geleid zijn, maar vele van hen zijn verdorven." (Qs Al Hadid 57:26)

Alle profeten aan wie heilige boeken geopenbaard werden, na Ibrahim, waren zijn nakomelingen. Dit is een voorname rang die door geen enkel mens bereikt werd. Twee grote profeten, d.w.z. Is­maël en Isaac stamden van Ibrahim af, de moeder van de eerste was Hadjar, en van de laatste was Sarah.

Daarna werd Yacoeb geboren met Isaac als vader. Hij werd be­kend als Israel, waartoe alle stammen behoorden. Het profeetschap werd toen opgericht onder de kinderen van Israël en een groot aantal profeten werden naar hen toegestuurd. De keten van profeten die naar hen gestuurd werden werd bezegeld met Isa, de zoon van Maryam.

Ismael was de vader van de Arabieren. De enige profeet onder zijn nakomelingen was Mohammed (a.s) . Er wordt overgeleverd in "de twee Authentieke boeken van Moeslim en Al-Boechari" dat de Boodschapper van Allah zei: "De zal in een plaats zijn waarin alle mensen mij zullen zoeken, zelfs Ibrahim."

Al-Boechari vertelde op gezag van Ibn 'Abbas: "De Boodschap­per van Allah was gewend te reciteren: '"A'oedhoe bikalimatil-lahit-tammah min kulli shaitanin wa hammah wa min kulli 'ainin lammah (Dc zoek bescherming met de volmaakte woorden van Allah, tegen alle duivels en kruipende wezens en tegen ieder boos oog)."

Allah zei: "Waarlijk, Ibrahim was een voorbeeld, gehoorzaam aan Allah, oprecht in het geloof en hij behoorde niet tot de afgodendienaars. (Hij was) dankbaar voor Zijn gunsten... " (QsAnNahl 16:120-121)

Hij toonde dankbaarheid met al zijn lichaamsdelen; zijn hart, tong en daden betuigden dank aan Allah: Hij koos hem uit...(Qs An Nahl 16:121) voor Zichzelf en koos hem om Zijn boodschap te ontvangen en verkoos hem uit Zijn Naaste te zijn en voor hem werd het goede van het wereldlijke leven gecombineerd met het hiernamaals.

Allah zei: "En wie is er beter in de godsdienst dan degene die zich geheel aan Allah onderwerpt en een verrichter van goede daden is en de godsdienst van Ibrahim 'Hanifa' volgt. En Allah heeft Ibrahim als boezemvriend genomen." (QsAn-Nisa 4:125)

Hier nodigt Allah de mensen uit om Ibrahim te volgen, omdat hij de zuivere godsdienst en het rechte pad propageerde. Hij voerde alle bevelen van Allah uit. Allah prees hem in een ander vers zeggende: "En van Ibrahim die alles wat (Allah bevolen heeft om te doen ofte verkondigen) vervuld heeft...",  (Qs An Nadjm 53:37)

Om deze reden beschouwde Allah hem als Zijn favoriet (in het Arabisch khalil, een woord dat sterke liefde aangeeft). Deze voorname plaats werd ook door de profeet Mohammed (a.s) ingenomen. Er werd in 'de Twee Au­thentieke Boeken van Moeslim en Al-Boechari' op gezag van Ibn Mas'oed verteld, dat de Profeet (a.s) zei: "O mensen, Allah heeft mij als Zijn favoriet uitgekozen."

Allah heeft Ibrahim op meer dan één plaats in de heilige Qoer'aan met lof genoemd. Er wordt gezegd, dat hij in meer dan 35 voorvallen in de heilige Qoer'aan genoemd wordt, waarvan 15 in de soerah Al-Baqarah (2) Ibrahim was één van de vijf boodschappers met een sterke wil, wier namen speciaal genoemd worden in de soerah Al-Ahzab (33) en Al-Taubah (9). De verzen zijn als volgt:

En (gedenk), toen Wij van de profeten hun verbond aangingen en van jou, en van Noah, Ibrahim, Moesa en Isa, de zoon van Mary-am. Wij gingen met hen een sterk verbond aan. (QsAlAzhab 33:7)

Hij heeft jullie dezelfde godsdienst bevolen als Hij Noah bevolen heeft, en die Wij jou geïnspireerd hebben, en dat wat Wij voor Ibrahim, Moesa en Isa verordend hebben, zeggende, dat jullie de godsdienst moeten instellen, en geen afscheidingen daarin moeten maken. Onverdraagzaam voor de afgodenaanbidders is datgene waartoe jij oproept. Allah koos voor Hemzelf wie Hij wil en leidt tot Hem zelf wie zich tot Hem in berouw en gehoorzaamheid keert. (Qs As Sjoera 42:13)

Ibrahim kwam op de tweede plaats onder de boodschappers van de Sterke Wil na Mohammed (a.s)

Al-Boechari heeft op gezag van Aboe Hoerairah overgeleverd die zei: "Er werd gevraagd: 'O Boodschapper van Allah! Wie is de no­belste onder de mensen?' Hij antwoordde: 'Degene die Allah het meeste vreest.' Zij zeiden: 'Dat vragen we je niet.' Hij zei: 'Dan is het Yoesoef, profeet van Allah, zoon van de profeet van Allah, zoon van de favoriet van Allah.' Zij zeiden: 'Dat bedoelden we niet.' Hij zei: 'Vragen jullie dan naar de nakomelingen van de Arabieren? De beste van hen voor de overgang naar de islam zijn de beste van hen na het aanvaarden van het geloof.'"

Daar Ibrahim op de tweede plaats kwam onder de boodschappers van de Sterke Wil na de profeet Mohammed (a.s) , werd de islamitische aanbidder opgedragen de Tashahhoed (de woorden die de moslim moet reciteren in het midden van het gebed) te reciteren, de voorge­schreven woorden die in een profetische hadith door Ka'b bin 'Oedj-rah en anderen overgeleverd wordt en K'ab ze: "Wij zeiden: 'O Boodschapper van Allah! Wat betreft het reciteren van vrede over jou dat weten we maar al te goed. Hoe staat het met gebeden aanbie­den voor jou?' Hij zei: 'Je moet zeggen: Allahoemma salli 'ala Muhammadin wa 'ala aali Muhammadin kamaa sallaita 'ala Ibra­him wa aali Ibrahim wa barik 'ala Muhammadin wa 'ala aali Muhammadin kamaa barakta 'ala lbrahima wa aali Ibrahim, innaka hamidun madjied. (O Allah! Geef Uw zegeningen aan Mohammed, aan de familie van Mohammed, net zoals U zegeningen gaf aan Ibra­him en aan de familie van Ibrahim, en verleen gunsten aan Moham­med en aan de familie van Mohammed, net zoals U gunsten verleen­de aan Ibrahim en aan de familie van Ibrahim. U bent werkelijk de Lofwaardige en de Genadige.) We gedenken Allah en de gebeden en goede daden. Vrede zij met onze Profeet, en moge Allah barmhartig met hem zijn en hem zegeningen geven. Moge vrede zijn met ons en met alle oprechte dienaren van Allah. Ik getuig dat er geen god is behalve Allah en dat Mohammed zijn dienaar en boodschapper is."

'Abdoer-Razzaq vertelde op gezag van Ibn 'Abbas, dat hij com­mentaar had op het vers: "En (herinner je,) dat de Heer van Ibrahim hem met enige bevelen beproefde, welke hij vervulde. (Qs Al Baqa-rah 2:124) zeggende, dat Allah zuivering eiste van Ibrahim. Er wer­den vijf soorten van zuivering geëist: vijf met betrekking tot het hoofd en vijf met betrekking tot de overige delen van het lichaam. De vijf die betrekking op het hoofd hebben zijn: de snor kort knip­pen, de mond met water spoelen, een tandstokje (siwak) gebruiken, water opsnuiven door de neus en het hoofdhaar kammen en mooi maken. De vijf die betrekking op het lichaam hebben zijn: de nagels knippen, het schaamhaar afscheren, de besnijdenis, het okselhaar verwijderen, en de intieme lichaamsdelen met water wassen (nadat men zijn behoefte gedaan heeft).

Er werd verteld in de Sahih en de Soenan van Imam Moeslim, dat op gezag van 'Aishah (moge Allah tevreden met haar zijn), de Pro­feet (a.s)  zei: "Er zijn tien daden van natuurlijke ordening: de snorharen korten, de baard laten groeien, een tandstokje gebruiken, water op­snuiven, de nagels knippen, de knokkels wassen, de okselharen ver­wijderen, het schaamhaar afscheren en de intieme lichaamsdelen met water schoonmaken (nadat men zijn behoefte gedaan heeft)."

Dit betekent, dat de toewijding van Ibrahim tot Allah en zijn on­derdanigheid in het aanbidden niet in tegenstelling stonden met de zorg voor zijn lichaam. Dit alles is samengevat in het vers:

En van Ibrahim die alles wat (Allah bevolen heeft om te doen ofte verkondigen) vervuld heeft... (Qs An Nadjm 53:37)

De dood van Ibrahim

De Mensen van het Boek vertelden, dat Sarah in Hebron stierf in het land van Kana'an op de leeftijd van 127 jaar. Ibrahim treurde zeer om haar dood. Vervolgens begroef hij haar in een grot die hij daar kocht. Daarna werd hij ziek en stierf op de leeftijd van 175 of 190.

Ibn Kathir zei, dat er bewijs is dat Ibrahim 200 jaar lang leefde. Aboe Hatim Ibn Hibban heeft in zijn Sahih op gezag van Aboe Hoe-rairah overgeleverd dat de Profeet M zei: "Ibrahim werd op de leef­tijd van 120 jaar besneden. Daarna leefde hij nog tachtig jaar. Hij werd besneden in (de stad) Qadum."

Ibn Kathir zei, dat volgens Al-Boechari's boek Sahih verteld wordt, dat Ibrahim op de leeftijd van tachtig jaar besneden werd, maar er werd niet verteld hoe lang hij daarna nog leefde.